
Rekening van de burgemeesters voor de uitvaart van Frederik Hendrik, 1647 (Archief 1, inv.nr 468)
Uitvaarten van leden van de stadhouderlijke familie zijn in de zeventiende en achttiende eeuw heuse spektakelstukken die veel aandacht trekken. Net als nu liggen er draaiboeken klaar waarin alles tot in de puntjes wordt geregeld. De uitdossing van de baar, het schoonmaken van de route van de rouwstoet, het uitnodigen van de gasten, het verdelen van de zitplaatsen in de kerk, enzovoorts. En natuurlijk de publiciteit voor en na de plechtigheid.
In 1647 wordt de zeer geliefde prins Frederik Hendrik bijgezet in de Nieuwe Kerk. De organisatie van het Delftse deel van de uitvaart is zoals gebruikelijk een taak van het stadsbestuur. Dat wil best groot uitpakken om te laten zien hoezeer men op de stadhouder gesteld was, maar het moet natuurlijk geen geld kosten. De burgemeesters houden de uitgaven dan ook zorgvuldig bij, om ze achteraf te kunnen declareren bij het gewestelijk bestuur van Holland. Dat is officieel de werkgever van de stadhouder en draait op voor de kosten. Op de hier afgebeelde conceptrekening is 1417 gulden aan uitgaven opgevoerd. De netversie en de bijbehorende bewijsstukken dienen de burgemeesters in als declaratie.
De teruggave heeft kennelijk nogal wat voeten in de aarde, want pas in 1652 kan de thesaurier de ontvangst inboeken. Hij heeft echter weinig reden tot klagen, want het overlijden van Frederik Hendrik levert Delft ook een flinke financiƫle meevaller op. Bij de doop van de prins in de Nieuwe Kerk, op 12 juni 1584, waren de burgemeesters uitgenodigd als doopgetuigen. Als dank voor deze eer kenden zij hem een royale lijfrente toe van 400 gulden. Dat bedrag hebben de thesauriers 63 jaar lang uitgekeerd, maar sinds het overlijden van Frederik Hendrik zijn zij van deze kostenpost bevrijd.